Studieprogramma

Tijdens de studie Investment Management word je opgeleid tot een professional die beleggingsvraagstukken zelfstandig, in beleggingsteams of in multidisciplinaire teams kan analyseren en oplossen. Om in zo’n omgeving te kunnen functioneren, moet je je tijdens de opleiding uiteraard een aantal competenties eigen maken.

Wat leer je?

Als je Investment Management succesvol hebt afgerond, beschik je over:

  1. kennis van en inzicht in de onderdelen van de economische theorie en praktijk die voor een allround beleggingsdeskundige op wo-masterniveau relevant zijn. Bijzondere aandacht is er daarbij voor strategische asset-allocatie, kenmerken en waardering van verschillende vermogenstitels, portefeuilles beheren, de rol van menselijk gedrag bij beleggen (behavioral finance), risicomanagement, en ondernemingen analyseren vanuit beleggersperspectief;
  2. kennis van en inzicht in het beleggingsproces waarbinnen beleggingsbeslissingen worden geïnitieerd, voorbereid en gecontroleerd. Hiertoe behoren ook ethiek, wet- en regelgeving en corporate governance;
  3. kennis van en inzicht in de beleidsaspecten die zich voordoen op het terrein van een beleggingsdeskundige;
  4. academische vaardigheden om kennis te verzamelen, te analyseren, te interpreteren en te verwerken in oplossingen voor praktijk- of theoriegerelateerde beleggingsproblemen – en het vermogen om dit over te brengen aan belanghebbenden;
  5. vaardigheden om op wetenschappelijk verantwoorde wijze multi- en interdisciplinaire vraagstukken in de beleggingspraktijk op te lossen;
  6. een sense of urgency om op de hoogte te blijven van belangrijke ontwikkelingen in de theorie en de praktijk van het vakgebied. Je krijgt de stof aangereikt in modules. Elke onderwijsmodule kent eigen leerdoelen die in relatie staan met een of meer van de hierboven genoemde eindkwalificaties. Een uitgebreid overzicht van de leerdoelen staat in de studiegids. Deze kun je opvragen via pgo.im.sbe@vu.nl

Jaar 1

De werkcolleges Econometrie en Statistiek voor Beleggingsprofessionals bereiden voor op de overige modules. In deze colleges van twee halve dagen leg je de noodzakelijke kwantitatieve basis voor de rest van de opleiding. Het accent ligt op oefenen, zelf de leerstof verwerken en toepassen.
Aan het eind van het eerste collegejaar krijg je een ochtend- en middagcollege met als onderwerp investment beliefs. In dit discussiecollege komt actuele kennis over de geleerde theorieën, methoden en technieken aan de orde. In groepen bespreek en bediscussieer je de diepere onderliggende beleggingsovertuigingen van je eigen organisatie (en die van je collega’s).
Toepassingen van macro-economische theorieën zijn overal zichtbaar. Overheden die experimenteren met economische stimuleringspakketten, centrale banken die proberen financiële markten te stabiliseren en tegelijkertijd potentiële inflatie te vermijden, beleggers die het beleid van een pensioenfonds of verzekeraar analyseren met macro-economische en financiële scenario’s. In deze module analyseer je de koppeling tussen macro-economische en monetaire theorieën die van belang zijn voor de bepaling van productie, werkloosheid, inflatie, rentevoeten, wisselkoersen en andere economische variabelen. Essentieel hiervoor is een goed begrip van hoe de gangbare economische theorieën werken. Grofweg komen aan bod: macro-economisch beleid, monetair beleid, economische groei, conjunctuurcycli en scenarioanalyse.
In deze module raak je bekend met fundamentele analyse. Er is aandacht voor methoden en technieken waarmee je bedrijven en aandelen correct kunt waarderen. De insteek is praktisch, met toepassingen in corporate finance. In de eerste drie colleges worden de basisbegrippen uit de financial statement analysis behandeld. Daarna komt het onderdeel ‘Corporate finance’ aan de orde en gaan we onder andere in op investeringsselectiemethoden en ondernemingswaardering. In het bijzonder staan we stil bij de invloed van de vermogensstructuur op de waarde van de onderneming.
Heeft een belegger doelstellingen, preferenties en randvoorwaarden eenmaal bepaald, dan is de asset-allocatie meestal de eerste stap in het vermogensbeheerproces. Dit is de verdeling van het vermogen in brede categorieën van vermogenstitels. Dit wordt gezien als de belangrijkste beslissing in het vermogensbeheerproces. In deze module staan theorie en praktijk van de asset-allocatie centraal. Belangrijke onderdelen zijn de definitie en het (relatieve) belang van asset-allocatie, de portefeuilletheorie, praktische implementatieproblemen van het MV-model, asset-allocatie en de beleggingshorizon, schattingsrisico, de bayesiaanse oplossing, het Black & Littermanmodel, asset and liability management (ALM) en rebalancing.
In deze module komen de resultaten van academisch onderzoek naar het beleggen in aandelen en de manier waarop die inzichten in de praktijk kunnen worden benut door beleggers aan de orde. We beginnen bij de basis: begrippen, feiten, cijfers en historisch perspectief. Belangrijk thema van deze module is de vertaalslag van rendementvoorspellingen naar de constructie van een daadwerkelijke portefeuille. Hierbij is aandacht voor de belangrijkste anomalieën voor aandelenmarkten zoals de “value”, “momentum”, en “low‐volatility” anomalieën, leer je over sector- en stijlanalyse, en de prestaties van beleggingsfondsen in de praktijk.

Jaar 2

De moderne portefeuille bevat allang niet meer alleen traditionele staatsobligaties, maar ook veel vastrentende producten, zoals credits, high yield-obligaties, emerging market debt, asset backed securities en combinaties hiervan. Wie de risico's en rendementen van dergelijke portefeuilles wil managen, heeft grondige kennis nodig van rente-, krediet- en liquiditeitsrisico’s en de wijze waarop deze samenhangen in portefeuilleverband. In deze module leer je onder meer over de risico- en rendementskenmerken van vastrentende beleggingsproducten en -strategieën en van portefeuilles, de rentemarktomstandigheden op de kapitaalmarkt en de nabootsing hiervan in modellen, en de plaats van vastrentende waarden in het beleggingsproces. We sluiten de module af met een casus waarin we een actueel vastrentend probleem oplossen.
In deze module krijg je een overzicht van de markt voor alternatieve beleggingen: hedge funds, onroerend goed, grondstoffen en private equity. In de afgelopen jaren zijn alternatieve beleggingen sterk gegroeid. Ze maken daarmee een steeds groter deel uit van de institutionele beleggingsportefeuilles. In deze module staan we eerst stil bij de belangrijkste karakteristieken van alternatieve beleggingen en bij de toegevoegde waarde van alternatieve beleggingen in een traditionele beleggingsportefeuille die bestaat uit aandelen en obligaties. Daarna gaan we nader in op de belangrijkste aspecten van beleggen in private equity, vastgoed, grondstoffen en hedge funds. We sluiten de module af met een casus.
Beleggen is sterk juridisch gereguleerd. De wet- en regelgeving is in beweging, zowel op Europees als op nationaal niveau. Denk aan de introductie van de MiFID en de Wet op het financieel toezicht (Wft). In deze module komen onderwerpen aan de orde die het werk van de beleggingsdeskundige direct raken. De module bestaat uit drie onderdelen. In de eerste twee colleges bespreken we uitvoerig de wet- en regelgeving die van toepassing is op de beleggingsdienstverlening. Ook op relevante jurisprudentie gaan we in. Het derde en vierde college gaan over het voorkomen van misbruik van voorwetenschap; ook marktmanipulatie komt uitvoerig aan bod. In het vijfde (werk)college staat integer handelen centraal, en dan in het bijzonder praktisch omgaan met dilemma’s.
Het traditionele financieel-economische paradigma gaat uit van rationele beslissers: optimaal handelende economische agenten en marktkrachten die misprijzingen direct en snel corrigeren. Maar dit blijkt menselijk handelen in veel situaties slecht te beschrijven. Mensen handelen niet altijd optimaal; we stappen in ‘gedragsvalkuilen’ die resulteren in niet-optimaal en te risicovol gedrag. Behavioral finance gebruikt inzichten uit de psychologie en sociologie om financieel-economische beslissingen en hun impact op financiële markten beter te begrijpen. Wat zijn de gedragsvalkuilen en hun consequenties, hoe herkennen we ze, hoe gevoelig zijn we ervoor, welke impact hebben ze op financieel-economische beslissingssituaties en markten, en hoe kunnen we die impact beperken of voorkomen? Je leert de belangrijkste aspecten uit de behavioral finance toe te passen in de praktijk van beleggen en financieel risicomanagement.

Jaar 3

Derivaten zijn financiële instrumenten die hun waarde ontlenen aan de waarde van een andere onderliggende waarde (bijvoorbeeld aandelenprijzen, rente, inflatie, temperatuur of kredietwaardigheid). Derivaten kunnen onder meer gebruikt worden om risico’s te managen (posities af te dekken), te speculeren, arbitreren of synthetische posities te creëren. De bekendste derivaten zijn forwards, swaps en opties. In deze module werken we de basisprincipes van derivaten uit vanuit economisch perspectief. We bespreken de invloed van wet- en regelgeving, accounting en de stakeholders van de onderneming. Verder gaan we uitgebreid in op post-crisis-waarderen, XVA’s, de rol van collateral management, centrale tegenpartijen en repomarkten. Ook komen technische concepten aan bod die volgen uit de principes van de arbitragetheorie, zoals de put-call-pariteit, het binomiale model en het Black-Scholes-Mertonmodel (BSM-model).
Je rondt de opleiding af met een scriptie. De kennis die je tijdens de opleiding hebt opgedaan, gebruik je om een probleem te behandelen binnen het vakgebied van beleggen, op een manier die past bij een postdoctorale academicus. Hierbij laat je theorie en praktijkkennis zichtbaar samenkomen. Je behandelt (in de regel) een vraagstuk uit de praktijk. Het mag verband houden met het dagelijkse werk, maar ook andere onderwerpen zijn mogelijk. Denk aan thema’s die te maken hebben met de historie van beleggen, of ontwikkelingen in academische kennis en het gevolg hiervan voor de beleggingspraktijk. Je voert een eigen analyse of onderzoek uit met casestudy’s, enquêtes of een kwantitatieve analyse. Tot slot koppel je de onderzoeksresultaten terug naar de context op een manier die de toegevoegde waarde van de scriptie laat zien.